Voor historische info:
"Enkhuizen tijdens de republiek"
Zie ook:
Het was niet hieperdepiep **
Organisatie staat open voor kritiek**
Lezersreacties

In de Enkhuizer Courant las ik dat Pater Peelen een herdenkingsdienst wil houden voor alle mensen die slachtoffer werden van de gebeurtenissen rond 1572.
Ja, wat zijn er in het verleden vreselijke dingen gebeurd tussen Katholieken en Protestanten! Vóór 1572 heeft de Inquisitie vele mensen gefolterd en op de brandstapel gebracht. Nog altijd is het te lezen in de zogenaamde martelaarsboeken van Van Haemstede en Tieleman van Braght die in het begin van de 17e eeuw uitkwamen. In het exemplaar dat in mijn bezit is van de ‘Historien der vromer martelaren die om het ghetuygenisse des H. Evangeliums haer bloedt vergoten hebben’ staat met potlood in een heel ouderwets handschrift geschreven: “Je moet niet senuachtig worden bij het lezen. Het hooft bij stuk houden”. Inderdaad zijn de verhalen gruwelijk en de plaatjes er bij zomogelijk nog gruwelijker. Het is een tijd geweest van onderdrukking en angst bij grote delen van de bevolking. Alleen al het bezit van een bijbel was verboden en reden om iemand gevangen te zetten, te folteren of op de brandstapel te brengen.
Toen de protestanten eenmaal de baas waren, moesten de rooms-katholieken het ontgelden en kregen te maken met repressailles tegen onschuldige mensen, zoals de monniken die hier in Enkhuizen vermoord werden. Maar er waren ook veel katholieken die meegingen met de Reformatie. In Enkhuizen werd op 23 mei 1572 de eerste Protestantse kerkdienst gehouden waarin de laatste priester en eerste dominee Andreas Theodori Castricomius, die in 1567 naar Embden was gevlucht, voorging.
Zoals de protestanten eerder in het geheim bijeenkwamen, moesten nu de katholieken, die trouw bleven aan de leer van hun kerk, zich schuil houden. De Protestanten namen, nu zij eindelijk in het openbaar bijeen konden komen, de kerken in bezit en de openbare eredienst van de katholieken werd verboden. Als iemand uitkwam voor zijn katholieke geloof stond dat voor de Protestanten gelijk aan heulen met de Spaanse vijand.
Na een periode van grote verwarring onder de katholieken, mede door het gebrek aan priesters, slaagden zij er in om onder leiding van paters jezuïeten een huiskerk te stichten en kregen ze, tegen betaling (!) vanaf 1609 “vrije exercitie van haeren religie”.
In 1643 kreeg de jezuïetenstatie een eigen pastoor. Jaap Braakman noemt in zijn boek ‘Gebouwd op de schouders van het voorgeslacht’ de parochie vanaf 1650 een “welvarende schuilkerk”. Na vele interne ruzies werd in 1776 met toestemming van de stadsregering, de allereerste echte kerkruimte gebouwd op de plaats waar nu de huidige rooms-katholieke kerk staat.
In de tot nu toe gevoerde discussie over de narigheden die katholieken en protestanten elkaar aangedaan hebben in het verleden mis ik het jaar 1795.
In dat jaar, toen de Franse Revolutie naar onze gewesten was overgewaaid en de Bataafse Republiek ingevoerd werd, ondernam men eindelijk een poging om wat in de tijd van de Reformatie fout was gegaan, recht te zetten.
De staatkundige revolutie van 1795 veranderde de positie van de Nederlandse Hervormde Kerk, in elk geval voorlopig op papier, volkomen. De ‘voormaals heerschende’ kerk moest binnen enkele jaren afstand doen van al haar tot die tijd genoten voorrechten. De Bataafse revolutie had als uitgangspunt de verklaring van de rechten van de mens en sprak uit dat ieder mens het recht had God te dienen op de wijze die hij wilde of niet wilde. Alle mensen werden verkiesbaar tot alle ambten, dus ook katholieken en leden van andere kerkgenootschappen dan van de hervormde kerk konden toetreden tot het stads- en landsbestuur.
In 1798 was de scheiding tussen kerk en staat een feit. Elk kerkgenootschap diende voortaan zelf te zorgen voor het onderhoud van het kerkgebouw en de predikantstraktementen. Kerkgebouwen en pastorieën die vóór 1580 gebouwd waren moesten onder alle kerkgenootschappen ter plaatse verdeeld worden naar evenredigheid van het aantal zielen.
De torens en de klokken werden eigendom van de burgerlijke gemeente. Bij kerkdiensten mochten de klokken niet geluid worden. De revenuen van het luiden van de klokken bij begrafenissen vielen toe aan het stadsbestuur, wat een behoorlijke derving van inkomsten betekende voor de eigenaar van de kerk.
De regeling leverde in veel plaatsen ongelofelijk veel problemen op. Men vroeg zich af hoe te handelen met de inventaris van de kerkgebouwen en de begraafplaatsen. Hoe moest het onderhoud of een eventuele verbouwing van de kerk berekend worden. Er werden requesten ingediend door verschillende gemeenten onder andere door Enkhuizen.
De regering gaf daarom nadere verklaringen uit. De nadruk werd er op gelegd dat de schikking “in der minne” moest plaats vinden. De taxatie zou moeten plaats vinden door “neutraale deskundige leden” van de verschillende kerkgenootschappen. Desondanks ontstond overal in Nederland veel getouwtrek en geharrewar.
Een uitzondering hierop vormden slechts enkele dorpen en steden, waaronder Medemblik. In Obdam, waar de bevolking in meerderheid rooms-katholiek was, lukte het als zeldzame uitzondering aan de katholieken om de oude dorpskerk weer in bezit te krijgen.
In het boek van P. Noordeloos: De restitutie van de kerken in den Franschen tijd (Nijmegen 1937) vond ik de vermelding: “In Enkhuizen hebben de katholieken afstand gedaan van hunne rechten. Zij konden dit veilig doen zonder een groot offer te brengen.“
Enkhuizen telde in die tijd 6803 inwoners, waarvan het overgrote deel hervormd was.
Helaas heb ik niet de gelegenheid om uit te zoeken hoe het proces in Enkhuizen verlopen is en weet ik niet op welk bedrag de kerken in Enkhuizen getaxeerd zijn. De andere kerkgenootschappen in Enkhuizen waren in die tijd zeker niet arm te noemen. De rooms-katholieke parochie die 760 leden telde had in 1776 een nieuwe kerk gebouwd. Ook de Doopsgezinde gemeente die 109 leden telde in 1797 had sinds 1789 een nieuw kerkgebouw betrokken aan het Venedie. De lutherse gemeente telde 355 leden en was in de 18e eeuw tamelijk welgesteld. Ook de Oud-katholieken hadden pas een nieuwe kerk gebouwd.
Wat in Medemblik gebeurde, heb ik indertijd uitgezocht:
Daar waren 1726 gereformeerden (zoals toen de hervormden genoemd werden), 453 roomsen, 112 luthersen en 42 mennonieten (doopsgezinden). De kerk werd getaxeerd op f. 2100.-. Bij een verdeling hadden de hervormden recht op f. 1585-14-; de katholieken op f. 402-14-; de lutheranen op f. 100-16-; de doopsgezinden op f. 37-16-. De stoelen en banken zouden in de kerk blijven. Het begraven zou op de oude voet doorgaan, dus ook rooms-katholieken en leden van andere gezindten mochten zoals vroeger, zonder extra betaling, in de kerk of op het kerkhof om de kerk begraven worden.
Op 11 februari 1799 werd een acte getekend waarbij de andere kerkgenootschappen afzagen van alle aanspraken. Het stadsbestuur berichtte, zeer verheugd over de goede afloop, aan de regering dat het proces in “voorbeeldeloose” harmonie verlopen was.
In Alkmaar, waar ook remonstranten en joden deelnamen aan de besprekingen deelnamen, verplichtten de hervormden zich om aan de rooms-katholieken jaarlijks gedurende 20 jaar
f. 5.000 te betalen. Het maakt me wel nieuwsgierig hoe de discussie verlopen is in Enkhuizen. Waarschijnlijk toch ook in redelijke harmonie.
Intussen is de tijd voortgeschreden en werken we als kerken in goede harmonie samen, maar dat niet alleen. Wat mijns inziens veel belangrijker is: we vinden het fijn om samen Gods Woord te horen, te bidden en te danken. Mijn voorstel is dan ook om bij de viering van de omwenteling en bevrijding van de Spanjaarden een dankdienst te houden in de grootste kerk van Enkhuizen voor de vrede en goede samenwerking tussen de verschillende kerken.
Ds. Anne-Marie van Zijverden-Poortman.